Conclusies, aanbevelingen en vervolg

Voor de Omgevingsvisie Breda zijn er zowel kansen op mogelijke positieve effecten als risico’s op mogelijke negatieve effecten geconstateerd. De mogelijke kansen hangen voornamelijk samen met mogelijke positieve effecten op gezonde leefstijl en leefomgeving, groenbeleving, sociale samenhang, adquate voorzieningen en aantrekkelijk vestigingsklimaat.  

De mogelijke risico’s hangen voornamelijk samen met mogelijke negatieve effecten op klimaat, natuur en biodiversiteit en bodem en water.

Een groot aantal aandachtspunten uit de ontwikkelscenario’s is (deels) opgenomen in het voorkeursscenario, zoals bijvoorbeeld (zie voor het volledige overzicht 'Verwerking aandachtspunten ontwikkelscenario’s in voorkeursscenario'):

  • Focus op inbreidingslocaties boven uitbreiding naar het buitengebied om zo risico’s op het gebied van biodiversiteit en verstoring van beschermde flora en fauna te beperken.

  • Bundel ruimtelijke ontwikkelingen om het risico op negatieve effecten met betrekking tot verkeersveiligheid  en bereikbaarheid te verkleinen.

  • Clusteren bestaande en nieuwe bedrijven op (bestaande) bedrijventerreinen om uitbreiding in het buitengebied te voorkomen.

  • Pas ontwikkelingen ver van Natura 2000-gebied het Ulvenhoutse Bos in, bij voorkeur aan de noordkant van Breda.

  • Pas de Zoete Delta in. Dit heeft positieve effecten op sociale samenhang (ontmoeten), wateroverlast, hitte, droogte, grond- en oppervlaktewater, biodiversiteit en de kwaliteit van de openbare ruimte en cultureel erfgoed.

  • Voorzie in de aanleg van (snel)fietsroutes, gescheiden van overige verkeer. Dit leidt tot een verbetering in verkeersveiligheid, broeikasgassen, geluidhinder en luchtkwaliteit.

  • Pas groen/blauwe casco’s als onderdeel van woningbouw in het buitengebied en dorpen toe om de negatieve effecten van bebouwing te verminderen.

  • Vergroot het oppervlak aan ecologische verbindingszones. Het positieve effect ervan neemt dan toe en bovendien vermindert het tevens hittestress en wateroverlast.

  • Houdt rekening met de barrièrewerking van nieuwe infrastructurele verbindingen en ecologische verbindingen om biodiversiteit te stimuleren.

Aanbevelingen

Voor de geconstateerde risico’s zijn diverse aandachtpunten en aanbevelingen (ook wel mitigerende maatregelen) geformuleerd die kunnen worden meegenomen bij het verder aanscherpen van de Omgevingsvisie of bij de uitwerking in het omgevingsplan of omgevingsprogramma. Deze aandachspunten en aanbevelingen zijn hieronder per indicator, waar geen verbetering van het kwaliteitsniveau optreedt als gevolg van de ontwerp omgevingsvisie, weergegeven.

Verkeersveiligheid

Geconstateerde risico’s zijn er vooral vanwege nieuw beleid gericht op de beleidsuitspraken woningbouw, voorzieningen en mobiliteit. Hierbij geldt dat er voor zowel voorzieningen als mobiliteit kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten voorzien zijn. Geconstateerde risico’s hangen samen met een toename in verkeersdeelnemers als gevolg van de beleidsuitspraken, bijvoorbeeld door een toename in huishoudens, de vergroting van de capaciteit van de NRW en het aantrekken van bezoekers door een internationaal winkelmilieu te creëren. Deze gevolgen leiden zonder specifieke randvoorwaarden en beleid tot een toename van het aantal verkeersslachtoffers. Om verslechtering van de verkeersveiligheid te voorkomen kunnen mitigerende maatregelen getroffen worden. Hierbij valt te denken aan het duidelijk scheiden van langzaam verkeer van gemotoriseerd verkeer om de kans op een ongeval tussen deze verkeersdeelnemers te verkleinen. Daarnaast kan de maximale snelheid in woongebieden verlaagd worden.

Mantelzorg

De autonome trend wordt in met de Omgevingsvisie niet gekeerd doordat concreet beleid gericht op mantelzorg niet is opgenomen in de Omgevingsvisie. Om de verslechterende trend en toenemende druk op mantelzorgers in Breda te verminderen wordt aangeraden om hier aandacht aan te besteden in uitvoeringsprogramma’s.

Broeikasgassen

Hier zijn kansen op positieve effecten geconstateerd maar ook enkele risico’s op negatieve effecten. Geconstateerde risico’s zijn er vooral vanwege nieuw beleid gericht op het mogelijk maken woningbouw en bedrijvigheid. De toename in uitstoot van broeikasgassen hangt met name samen met de verkeersbewegingen die hieraan gerelateerd zijn. Vanwege autonome trends en maatregelen vanuit het Klimaatakkoord is de verwachting dat gebruik van fossiel opgewekte energie en daarmee uitstoot van broeikasgassen steeds minder zal worden. Niettemin kunnen de hier geconstateerde risico’s terug gebracht worden door concrete voorwaarden aan ontwikkeling van nieuwe kantoren en voorzieningen te verbinden op het gebied van klimaatneutraliteit en schone, uitstootloze vormen van vervoer.

De opgave om uit het tekortschietende rode kwaliteitsniveau te komen vergt een forse inspanning, gericht op verduurzaming van bestaande functies. Gemeentelijke doelstellingen zijn om in 2044 een CO2-neutrale stad te zijn. De wettelijke doelstelling conform de klimaatwet ligt op 49% minder uitstoot van CO2 in 2030 ten opzichte van 1990. Autonoom beleid moet voorzien in een trendbreuk naar afnemende CO2 uitstoot. Verdere verbetering moet komen van aanvullend beleid. De grootste CO2 bijdrage binnen Breda komt van de gebouwde omgeving. De Omgevingsvisie voorziet deels in nieuw beleid om de CO­2 uitstoot daarvan substantieel te verminderen, dit betreft met name nieuwbouw. Transitie naar aardgasvrije wijken kan aanvullend een belangrijke rol spelen in het behalen van de ambitie. Aangeraden wordt dit op te nemen in uitvoeringsprogramma’s van de Omgevingsvisie.  

Luchtkwaliteit

Geconstateerde risico’s zijn er vooral vanwege nieuw beleid gericht op het mogelijk maken van woningbouw en bedrijvigheid maar ook deels door vergroting van de capaciteit van de NRW. Verslechtering van de luchtkwaliteit hangt daarin samen met een toename in verkeersbewegingen. Deze beleidsuitspraken leiden zonder specifieke randvoorwaarden en beleid tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Mitigerende maatregelen waar aan gedacht kan worden zijn het instellen van milieuzones en autoluwe gebieden nabij woningbouw. Autonoom is echter wel de verwachting dat luchtkwaliteit door elektrisch verkeer zal verbeteren.

Geluidhinder

Voor de indicator geluidhinder zijn meer risico’s op negatieve effecten dan kansen op positieve effecten geconstateerd. Daarmee is er risico op verslechtering van de autonome trend. Risico´s zijn geconstateerd vanwege beleid gericht op woningbouw en bedrijvigheid. Daarnaast kan een internationaal winkelmilieu in het centrum met evenementen leiden tot geluidsoverlast.  Autonome verbetering vanwege elektrisch verkeer zoals bij luchtkwaliteit is bij geluid niet aan orde, omdat er dan nog steeds sprake is van substantieel geluid vanwege banden. Met betrekking tot de functiemenging van wonen-werken wordt geadviseerd specifieke voorwaarden op te nemen over afstanden tussen bedrijven met uitstoot en woningen en de hoeveelheid toegestane geluidhinder. Met snelheidsbeperkingen (bijvoorbeeld 30 km/u) en autoluwe of autovrije zones kan geluidhinder door verkeer verminderd worden, wat ook positief is wat betreft verkeersveiligheid. Ten aanzien van woningbouw wordt geadviseerd om eisen te stellen met betrekking tot parkeernormen waarbij autogebruik geminimaliseerd wordt. Door daar een koppeling te leggen met uitzonderingen voor stil vervoer (fiets, e-bike, etc.) worden stille alternatieven actief gestimuleerd. Dit zijn dan maatregelen gericht op minimaliseren van geluidhinder door nieuw beleid. Daarmee is nog geen sprake van het verminderen van het aantal geluidgehinderden, ook autonoom is daar geen sprake van. Belangrijke bronnen voor geluidhinder zijn brommers en scooters, buren en wegverkeer met snelheden hoger dan 50 km/u. Voor het omlaag brengen van het aantal geluidgehinderden wordt geadviseerd om een uitvoeringsprogramma op te stellen met concrete maatregelen gericht op die belangrijke bronnen voor (ernstige) geluidhinder.

Natura 2000-gebieden

Bij de verdere uitwerking van het nieuwe beleid moet integraal aandacht zijn voor ontwikkelingen die kunnen leiden tot een verhoogde (milieu)druk op Natura 2000-gebieden. Door een integrale aanpak en de projectscope van een ontwikkeling zo in te steken dat ook maatregelen om stikstofdepositie te verminderen worden betrokken bij de ontwikkeling (interne saldering) kan een significant negatief effect voorkomen worden.

Voor bedrijvigheid, woningbouw en mobiliteit geldt dat het in de praktijk erg lastig kan zijn om voldoende mogelijkheden (saldo-gevers) te vinden om de totale depositiebijdrage te salderen in het juiste invloedsgebied. Het is daarom voor deze ontwikkelingen een grote uitdaging om te investeren in zo laag mogelijke emissies. Dit bepaalt uiteindelijk de mate waarin de gewenste ontwikkelingen die tot een depositietoename leiden, zoals de bedrijvigheid en woningbouw tot uitvoer kunnen komen. Dit moet in de vervolgfase van het omgevingsplan nader verkend worden en mogelijk dat hieruit blijkt dat ambities bijgesteld moeten worden.

Biodiversiteit

Als gevolg van beleidsuitspraken gericht op woningbouw, mobiliteit en bedrijvigheid worden risico’s voorzien voor de indicator biodiversiteit. Deze hangen samen met mogelijke verstoring en doorsnijding van binnenstedelijke groengebieden wat leefgebieden kunnen zijn voor de in Breda aanwezige soorten. Bij ontwikkeling van nieuwe groengebieden zoals opgenomen in de Omgevingsvisie (stedelijke verbindingszones) kan gekeken worden naar bijvoorbeeld de inpassing van specifieke groensoorten die fungeren als leefgebied voor soorten die onder druk staan.

Bodemkwaliteit

Geconstateerde risico’s zijn er vooral vanwege nieuw beleid gericht op bedrijvigheid en energie, vanwege mogelijke nieuwe vervuilingen. De Omgevingsvisie gaat niet in op verbetering van de bodemkwaliteit. Bij de inpassing van nieuwe bedrijvigheid of duurzame vormen van energieopwekking kunnen randvoorwaarden gesteld worden ter behoud of verbetering van de bodemkwaliteit. 

Grond- en oppervlaktewater

Voor de indicator grond- en oppervlaktewater worden de meeste risico’s voorzien door beleid gericht op woningbouw en bedrijvigheid. Dit hangt met name samen met toename van huishoudens en bedrijven en de uitspoeling van medicijnresten, plasticdeeltjes en vervuilende stoffen in het oppervlaktewater en grondwater. Er zijn geen specifieke mitigerende maatregelen die deze vervuiling tegen kunnen gaan. Aangeraden wordt toekomstige maatregelen in acht te nemen en toe te passen in beleid.

Infrastructuur

Geconstateerde risico’s zijn er vooral vanwege nieuw beleid gericht op woningbouw, bedrijvigheid en gedeeltelijk door mobiliteit. Dit hangt met name samen met de verkeersaantrekkende werking als gevolg van een toename in woningen en bedrijven. Ook het vergroten van de capaciteit van de NRW kan leiden tot meer verkeer. Om een mogelijke toename in congestie als gevolg van extra verkeersbewegingen te reduceren kan gedacht worden aan het instellen van een parkeernorm in nieuwe woongebieden zodat autogebruik en -bezit ontmoedigd wordt of het instellen van autoluwe gebieden. De in het beleid uit de Omgevingsvisie opgenomen maatregelen gerelateerd aan openbaar vervoer en langzaam verkeer kunnen daarnaast ook bijdragen aan het verminderen van het binnenstedelijke autogebruik, mits deze goed toegankelijk zijn in nieuwe woongebieden.

Vervolg

Wanneer de Omgevingsvisie door de gemeenteraad van de gemeente Breda is vastgesteld, worden alle nieuwe ontwikkelingen en maatregelen verder uitgewerkt in een omgevingsplan en eventuele omgevingsprogramma’s. Daarin komen duidelijke beschrijvingen hoe en op welke locatie(s) de ambities concreet uitgevoerd worden.